Het secundair onderwijs uitgelegd
Na het tweede jaar secundair moet je kiezen: de eerste graad loopt tot dan, en vanaf het derde jaar begint de tweede graad. De woordenschat voor die keuze is sinds de modernisering veranderd. ASO, TSO, KSO en BSO bestaan nog als onderwijsvormen, maar daarnaast heeft elke richting nu een finaliteit en een studiedomein. Hieronder staat wat die termen betekenen, zodat de filters op deze site ergens op slaan.
De graden
Het secundair is opgedeeld in drie graden. In de eerste graad kies je nog geen studiedomein en nog geen finaliteit. Die graad is oriënterend: het aanbod is voor iedereen ongeveer hetzelfde, met wat ruimte om dingen uit te proberen. De echte keuze begint in de tweede graad, en wordt in de derde graad smaller.
De eerste graad: 1A, 1B, 2A en 2B
De eerste graad duurt twee jaar. In het aanbod van een school zie je ze staan als 1A, 1B, 2A en 2B. De letter zegt met welk pakket je begint. Wie het getuigschrift basisonderwijs haalt, start normaal in 1A. Wie dat niet haalt, start in 1B, waar meer tijd naar de basis zelf gaat. Met een getuigschrift kan een leerling ook in 1B starten, als de klassenraad daar gunstig over beslist.
Het grootste stuk van de week ligt vast. Dat heet de basisvorming: de eindtermen die voor iedereen gelden. Daarnaast staat een kleiner stuk dat de school zelf invult, en dat is precies waarom twee scholen allebei “1A” kunnen aanbieden en er toch anders uitzien. De verdeling per leerjaar:
- Eerste leerjaar (1A en 1B): minstens 27 uur basisvorming en minstens 5 uur differentiatie. Die 5 uur gebruikt de school om te verdiepen, uit te dagen, te remediëren of klassieke talen aan te bieden.
- Tweede leerjaar A (2A): minstens 25 uur basisvorming, 2 uur differentiatie en 5 uur basisoptie. De basisoptie is de eerste echte keuze, bijvoorbeeld Economie en organisatie.
- Tweede leerjaar B (2B): minstens 20 uur basisvorming, 2 uur remediëring en verdieping, en 10 uur basisoptie. Hier mag je er tot drie combineren.
Een basisoptie is nog geen studierichting. Ze laat je proeven van een vakgebied, en pas na het tweede jaar kies je een richting met een finaliteit en een studiedomein. Welke basisopties een school inricht, verschilt; dat staat op de website van de school zelf.
Je hoort ook A-stroom en B-stroom. Dat zijn de gewone namen voor 1A met 2A en voor 1B met 2B. Wat daarbij vaak verteld wordt, is dat de B-stroom enkel naar de arbeidsmarkt leidt. Dat klopt niet. Na 2B kan een leerling naar de tweede graad met doorstroomfinaliteit of dubbele finaliteit, via de opstroomoptie of met een gunstige beslissing van de klassenraad. En na 2A kan een leerling evengoed naar de arbeidsmarktfinaliteit. Dat staat in artikel 19 en 20 van het besluit over de organisatie van het secundair onderwijs.
De uurverdelingen en de regel over 1B hierboven komen van Onderwijs en Vorming.
Finaliteit: doorstroom, dubbel of arbeidsmarkt
De finaliteit zegt waar een richting je op voorbereidt. Er zijn er drie.
- Doorstroom mikt op verder studeren na het secundair, aan een hogeschool of universiteit.
- Arbeidsmarkt bereidt voor op meteen aan het werk gaan, met een beroep in handen.
- Dubbel houdt allebei open: verder studeren kan, gaan werken ook.
De finaliteit is geen nieuwe naam voor ASO, TSO, KSO of BSO. Die onderwijsvormen bestaan in de tweede en de derde graad nog, naast de finaliteit, en ze vallen niet samen: een richting met doorstroomfinaliteit kan evengoed TSO zijn als ASO.
Studiedomein: waarover de richting gaat
Naast de finaliteit staat het studiedomein, en dat zegt over welk vakgebied een richting gaat. Er zijn er acht:
- Economie en organisatie
- Kunst en creatie
- Land- en tuinbouw
- Maatschappij en welzijn
- Sport
- STEM
- Taal en cultuur
- Voeding en horeca
Daarnaast bestaan de domeinoverschrijdende richtingen, die bij geen enkel domein horen omdat ze te breed zijn. Daar zitten onder meer richtingen die traditioneel ASO zijn, zoals de klassieke talen en de wetenschappen-wiskunderichtingen.
Domein en finaliteit samen vormen de matrix: acht domeinen plus de domeinoverschrijdende rij, tegen drie finaliteiten. Elke studierichting van de tweede en de derde graad heeft daarin één plaats.
De officiële indeling, met per domein alle studierichtingen, staat bij Onderwijs en Vorming: Studiedomeinen in het secundair onderwijs. Dat is de bron; wat hierboven staat, is onze samenvatting ervan.
Duale richtingen
Sommige richtingen in de tweede en de derde graad zijn duaal: je leert deels op school en deels op een werkplek. In het aanbod van een school herken je ze aan “duaal” in de naam.
Het net: wie de school inricht
Er zijn drie onderwijsnetten: het gemeenschapsonderwijs (het GO!), het gesubsidieerd officieel onderwijs van steden, gemeenten en provincies, en het gesubsidieerd vrij onderwijs. Onder dat laatste vallen onder meer katholieke scholen en methodescholen. Het net bepaalt onder meer het levensbeschouwelijk vak: een officiële school moet de keuze tussen de erkende godsdiensten en niet-confessionele zedenleer aanbieden, een vrije school niet. Het zegt niets over de kwaliteit van de school.
Bron: Officieel en vrij onderwijs, onderwijsnetten en koepels.
Wat je op deze site niet vindt
Geen ranglijst, geen sterren, geen oordeel over welke school beter is. Deze site zegt welke scholen bestaan, waar ze liggen en wat ze aanbieden. Infodagen lopen via de school zelf; hoe aanmelden en inschrijven verloopt, staat op de andere helft van deze uitleg. De rest beslis je zelf, het best door zelf te gaan kijken.